In een dromerige scène over nieuwsgierigheid en kinderlijk geluk, zie je een doorsnee mannetje en bepaald géén Adonis vanuit zijn kamertje gluren naar het al even eenvoudige vrouwtje dat niets vermoedend in bad haar haren wast. Of doet zij vóórkomen dat zij van niets weet en toont zij zichzelf in volle glorie aan haar verlegen minnar?